Global menu

Our global pages

Close

Uitwinning door de pandhouder van zekerheidsrechten verbonden aan een verpande vordering

  • Netherlands
  • Banking and finance

06-01-2017

Het is pandhouders op grond van artikel 3:246 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) toegestaan om een pandrecht op vorderingen uit te winnen door middel van het opeisen van de vordering. Deze bevoegdheid omvat tevens het recht om zekerheidsrechten uit te winnen die aan de verpande vordering zijn verbonden. Dit is bevestigd in een arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 (ABN AMRO / Marell).

Feiten

ABN Amro Bank N.V. (ABN AMRO) had een vordering op Pegas Flex B.V. (Pegas). Tot zekerheid van terugbetaling van deze vordering, had Pegas, onder meer, een pandrecht aan ABN AMRO verstrekt op een vordering die Pegas had op Aannemersbedrijf Marell B.V. (Marell). Pegas had op haar beurt als zekerheid voor haar vordering op Marell een pandrecht verkregen op alle vorderingen die Marell had op haar debiteuren. Schematisch ziet deze casus er als volgt uit:

 

Op 28 juni 2013 heeft ABN AMRO aan Marell mededeling gedaan van de verpanding door Pegas en Marell gesommeerd om het openstaande bedrag te voldoen. Marell heeft dit echter niet gedaan. Op 3 juli 2013 zijn de debiteuren van Marell op de hoogte gesteld van de verpanding van de vordering van Pegas op Marell, zodat het aan Pegas verleende pandrecht op deze (“sub”)vorderingen openbaar werd gemaakt. Vervolgens werd Pegas op 9 juli 2013 failliet verklaard. ABN AMRO heeft zich zowel voor als na faillissement van Pegas gewend tot de debiteuren van Marell. Hen werd gesommeerd rechtsreeks aan ABN AMRO te betalen in plaats van aan Marell. Onduidelijk was voor de debiteuren van Marell aan wie zij bevrijdend konden betalen: Marell, Pegas of ABN AMRO.

Het Hof oordeelde dat ABN AMRO geen inningsbevoegdheid heeft op grond van artikel 3:246 lid 1 BW, omdat volgens het Hof sprake is van herverpanding zonder dat deze bevoegdheid ondubbelzinnig is toegekend (artikel 3:242 BW). Pandhouders zijn onbevoegd om het verpande goed te eigen bate te gebruiken of hierover, anders dan tot verhaal van zijn vordering, te beschikken. Een uitzondering hierop is de mogelijkheid tot herverpanding, zoals neergelegd in artikel 3:242 BW. Herverpanding is alleen mogelijk indien de bevoegdheid hiertoe ondubbelzinnig aan de pandhouder is toegekend. Dit zou in onderhavig geval betekenen dat Pegas, tot zekerheid van haar schuld aan ABN AMRO, de aan haar verpande vorderingen van Marell op haar debiteuren zou moeten hebben herverpand aan ABN AMRO. ABN AMRO zou dan inningsbevoegd zijn ten aanzien van de “sub”-vorderingen, indien Pegas haar schuld niet nakomt.

Volgens het Hof was de bevoegdheid tot herverpanding niet ondubbelzinnig aan Pegas toegekend. Sterker nog, dit was uitgesloten in de pandovereenkomst tussen Marell en Pegas. Volgens het Hof had ABN AMRO daarom geen geldig pandrecht verkregen.

ABN AMRO stelde dat zij wel inningsbevoegd was, omdat het pandrecht van Pegas op de aan haar verpande vorderingen een nevenrecht was van de aan ABN AMRO verpande vordering van Pegas op Marell. Dit betekende volgens ABN Amro dat zij dit het pandrecht op de vorderingen van Marell op haar debiteuren zou kunnen executeren. Het Hof volgt deze stelling niet, omdat artikel 3:242 BW geen toegevoegde waarde meer zou hebben als het artikel op deze manier zou kunnen worden omzeild. Volgens het Hof is er dan namelijk materieel gezien nog steeds sprake van herverpanding.

De hoofdvraag die ter beantwoording aan de Hoge Raad is voorgelegd, is of de openbaar pandhouder bevoegd is een pandrecht uit te oefenen dat aan de aan hem verpande vordering is verbonden. Met andere woorden; wat is de reikwijdte van de inningsbevoegdheid van de pandhouder van een vordering?

De Hoge Raad heeft voor beantwoording van deze vraag aansluiting gezocht bij de argumenten in de overweging van zijn arrest van 11 maart 2005 (Rabobank/Stormpolder) waarin voor het beslag een vergelijkbare vraag werd gesteld. Hier overwoog de Hoge Raad:

3.6 (…) Het is in overeenstemming met het (…) wettelijke systeem,(…) dat de derdenbeslaglegger (…) profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang’

Alhoewel AG Wissink in zijn conclusie bij ABN Amro / Marell nog wel refereert aan het ‘wettelijk systeem’, overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.5.2 simpelweg:

ABN Amro was dus uit hoofde van de uit haar pandrecht voortvloeiende inningsbevoegdheid tevens gerechtigd het pandrecht van Pegas op de vorderingen van Marell-oud op derden uit te oefenen.

Ten aanzien van pandrechten – en de facto ook voor hypotheekrechten – is nu in de jurisprudentie bevestigd dat deze kunnen worden uitgewonnen door de pandhouder van een vordering die door een van deze twee vormen van zekerheid is gesecureerd. Ten aanzien van persoonlijke of oneigenlijke zekerheidsrechten zoals hoofdelijkheid, eigendomsvoorbehoud of verrekening bestaat discussie of een pandhouder deze zekerheden ook kan uitwinnen. Het gaat het bestek van dit artikel helaas te buiten om daar uitgebreid op in te gaan. Wij beperken ons daarom tot opmerking dat op dit moment dat wat ons betreft er geen serieuze bezwaren zijn om een pandhouder ook deze vormen van zekerheid te laten uitwinnen.

In de praktijk doen pandhouders er goed aan om na te gaan of er zekerheidsrechten zijn verstrekt voor de vorderingen die aan haar worden verpand. Als dit het geval is, dan bieden dergelijke vorderingen meer zekerheid. Deze informatie kan worden meegenomen in de (risico)waardering van een schuldenaar.

For more information contact

Sharon Edoo, Associate

< Go back

Print FriendlyTwitterLinkedInEmailShare
Subscribe to e-briefings