Global menu

Our global pages

Close

Crediteurenbescherming: deel 1 pandrecht op roerende zaken

  • Netherlands
  • Banking and finance

18-02-2010

Op dit weblog wordt periodiek een aantal middelen behandeld die crediteuren ter beschikking staan tot zekerheid voor de betaling van hun vorderingen en/of werkzaamheden. Eerst komen de zogenaamde zakelijke zekerheden, zoals pandrecht en hypotheekrecht aan bod. Vervolgens zullen diverse andere vormen van (oneigenlijke) zekerheden worden behandeld waaronder het retentierecht, de borgtocht, het eigendomsvoorbehoud, het recht van reclame, de bankgarantie, letter of credit (documentair accreditief) en hoofdelijkheid. Er bestaat een verschil tussen een stil pandrecht en een openbaar pandrecht. Anderzijds is er een verschil tussen een pandrecht op roerende zaken en een pandrecht op vorderingen. In deze eerste bijdrage zal het pandrecht op roerende zaken worden besproken.

Het vestigen van een pandrecht op een roerende zaak geeft degene die het pandrecht verkrijgt een verhaalsrecht op het goed dat door het pandrecht wordt bezwaard. Een voorbeeld hiervan is een producent die een pandrecht geeft (de pandgever) aan de bank (de pandhouder) op bijvoorbeeld zijn voorraden. Indien de producent op enig moment de lening aan de bank niet aflost of nalaat de rente over de lening te betalen, kan de bank haar pandrecht uitoefenen en het uitstaande bedrag onder de lening verhalen door de voorraden te (laten) verkopen. De bank heeft vervolgens het recht zich uit de opbrengst van die verkoop te voldoen. Dit recht wordt het recht van parate executie genoemd. Daarnaast heeft de pandhouder nog een bijzonder recht. Een pandhouder is een separatist in het faillissement van de pandgever. Wanneer de pandgever failliet wordt verklaard, kan de pandhouder zijn pandrecht uitoefenen, alsof de pandgever niet failliet zou zijn. Hierdoor heeft de pandhouder - in de meeste gevallen - een bevoorrechte positie ten opzichte van de overige schuldeisers in het faillissement.

Het pandrecht kent een aantal vereisten voor totstandkoming, namelijk (i) een geldige titel die verplicht tot vestiging door (ii) een beschikkingsbevoegde.Met een geldige titel wordt gedoeld op de (rechts)grond die aan de totstandkoming (de vestiging) van het pandrecht ten grondslag ligt. De pandgever dient beschikkingsbevoegd te zijn om een pandrecht op de roerende zaak te vestigen. Hiermee wordt bedoeld dat enkel degene die eigenaar is van de roerende zaak hierop een pandrecht kan vestigen.

Op een roerende zaak kunnen twee soorten pandrechten worden gevestigd namelijk (a) een vuistpandrecht of (b) een bezitloos pandrecht. Een vuistpandrecht wordt gevestigd door de roerende zaak in de macht van de pandhouder (of van een daartoe aangewezen derde) te brengen. De vuistpandhouder houdt de roerende zaak vanaf dat moment voor de vuistpandgever. De vuistpandgever blijft eigenaar maar heeft de macht over de verpande roerende zaak verloren. De roerende zaak kan ook worden verpand zonder deze buiten de macht van de pandgever te brengen, namelijk door vestiging van een bezitloos pandrecht (ook wel stil pandrecht genaamd). Het is voor derden niet kenbaar dat er een bezitloos pandrecht op de betreffende roerende zaak is gevestigd. Een bezitloos pandrecht wordt gevestigd bij een authentieke akte of een onderhandse akte gevestigd. Een authentieke akte wordt door een notaris opgemaakt. Een onderhandse akte kan door partijen (of een van hun advocaten) worden opgemaakt. Om een geldig pandrecht te vestigen bij onderhandse akte dient deze te worden geregistreerd bij de Belastingdienst. Deze registratie is kosteloos. Zie de webpagina van de Belastingdienst voor meer informatie. Bij een bezitloos pandrecht dient de pandgever te verklaren dat hij bevoegd is om het pandrecht op de roerende zaak te vestigen. Daarnaast moet de pandgever verklaren of er al (oudere) rechten op de roerende zaak zijn gevestigd. De reden hiervoor is dat het voor de (toekomstige) pandhouder niet kenbaar is of er bijvoorbeeld een eerder pandrecht is gevestigd op de roerende zaak.

In de meeste gevallen komt het pandrecht te vervallen omdat de vordering tot zekerheid waarvan het pandrecht is gevestigd teniet gaat. In het aangehaalde voorbeeld betaalt de producent dan het uitstaande bedrag onder de lening aan de bank. Het pandrecht van de bank op de voorraden komt daarmee te vervallen. Het bezitloos pandrecht op een roerende zaak gaat tevens teniet door uitoefening van het pandrecht door de pandhouder. Het pandrecht kan ook eindigen doordat de pandhouder afstand doet van zijn (pand)recht. Dit kan door geschieden door een schriftelijke (of elektronische) verklaring van de pandhouder. Ingeval van een vuistpandrecht eindigt het pandrecht indien de verpande roerende zaak weer in de macht van de pandgever komt.