Global menu

Our global pages

Close

Effectenonderzoek warmtewet in volle gang

  • Netherlands
  • Energy and infrastructure

11-06-2010

Op 12 mei zond demissionair minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken een rapportage over de effecten van de warmtewet op warmteprijs en bedrijfsrendement aan de Eerste en Tweede Kamer. Naast de door NMa berekende effecten bestond dit rapport uit de zienswijzen van de consultatieronde en een rapportage van Ernst & Young over de rentabiliteit van kleinschalige warmtenetten.

De NMa adviseert vereenvoudiging van de tariefsystematiek en heroverweging van de invoering met terugwerkende kracht. De NMa constateert dat de financiële rendementen bij de grote warmteleveranciers over het algemeen erg laag zijn. De minister sluit in haar begeleidende brief aan bij de adviezen van de NMa.

Daarnaast bestaat het voornemen om het Nationaal Expertise Centrum Warmte te verzoeken periodiek onderzoek te doen naar de interactie van de voorgestelde wartmewet en lagere wetgeving met de huidige huurregelgeving. Dit in overleg met de minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

De commissie voor EZ van de Tweede Kamer heeft op 19 mei de minister gevraagd om een vervolgonderzoek te doen over de tarieven. Het vervolgonderzoek moet zich volgens Van der Hoeven richten "op de vraag of eventueel sprake is van strategische toerekening van kosten door energiebedrijven waarbij de warmteproducent en de warmteleverancier tot hetzelfde concern behoren".

CDA-Tweede Kamerlid Jan ten Hoopen wil het onderzoek zelfs nog iets breder hebben: als een warmteproducent gas als brandstof inkoopt binnen het eigen concern, tegen welke prijs gebeurt dit dan? Tegen de marktprijs, of wordt het veel duurder ingekocht en wordt de rekening vervolgens bij de warmteconsument gelegd? Ten Hoopen vindt dat er nog steeds veel onduidelijkheid bestaat over de totstandkoming van de warmteprijs. Het NMA-onderzoek van mei dit jaar suggereerde weliswaar dat warmtebedrijven weinig te verwijten valt, maar de Algemene Rekenkamer kwam in april 2007 tot een tegenovergestelde conclusie.