Global menu

Our global pages

Close

Geen bewijsvermoeden voor curator bij vernietigen nieuwe kredietrelatie met zekerheden

  • Netherlands
  • Banking and finance

22-05-2014

HR 29 november 2013, NJ 2014/9
De grenzen van de paulianeuze ‘wetenschap van benadeling’ nader bepaald; hoever strekt het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub 2 Faillissementswet? 

Inleiding

In hoeverre kan een kredietverstrekker personen of bedrijven in financiële moeilijkheden bijstaan zonder daarbij paulianeus te handelen? In deze blog staan we stil bij een uitspraak van de Hoge Raad waarin meer duidelijkheid over dit vraagstuk wordt geschept. De relevante omstandigheden van de uitspraak zijn, zeer eenvoudig geschetst, als volgt. Een kredietverstrekker leent aan X een som geld, terwijl X in financiële moeilijkheden verkeert. Ten behoeve van de lening verstrekt X enkele zekerheden aan de kredietverstrekker, waaronder een hypotheekrecht derde in rang en diverse pandrechten. Binnen een jaar na deze transactie gaat X failliet. De curator tracht de leningsovereenkomst en de vestiging van de zekerheden te vernietigen op grond van artikel 42 en 43 Faillisementswet (Fw) door te stellen dat er paulianeus is gehandeld, maar slaagt daar niet in.

Wet

Artikel 42 Fw geeft de curator de mogelijkheid om een rechtshandeling van een schuldenaar ‘anders dan om niet’ (een handeling waarvoor op enige manier wordt betaald) te vernietigen, indien (i) deze rechtshandeling onverplicht was en (ii) de schuldenaar en zijn wederpartij wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn.

Het is voor de curator een zware opgave om het laatste punt te bewijzen. Om de curator tegemoet te komen zijn er voor specifieke gevallen bewijsvermoedens geformuleerd waar de curator een beroep op kan doen. De facto zorgen deze bewijsvermoedens voor een omkering van de bewijslast: niet de curator moet bewijzen dat partijen wisten van de benadeling, maar de schuldenaar en/of diens wederpartij moet bewijzen dat er géén sprake van was.

Artikel 43 lid 1 sub 2 Fw geeft een bewijsvermoeden voor rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare schuld. Wanneer (a) een rechtshandeling is verricht binnen een jaar voor faillietverklaring én (b) de schuldenaar niet al voor aanvang van dat jaar verplicht was tot het aangaan van die rechtshandeling, dan wordt vermoed dat de schuldenaar en zijn wederpartij wisten dat de schuldeisers zouden worden benadeeld.

Uitzondering

Volgens de Hoge Raad is het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub 2 Fw een uitzondering die niet ruim mag worden uitgelegd. Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel vindt het bewijsvermoeden zijn rechtvaardiging in het verdachte karakter van de handeling waarop het bewijsvermoeden betrekking heeft. Deze handeling wordt normaliter verricht in het volle bewustzijn dat de schuldeisers erdoor benadeeld worden. Dit verdachte karakter kan echter niet op voorhand worden aangenomen voor rechtshandelingen ten behoeve van een nieuwe kredietrelatie waarbij zekerheden worden verlangd.

Betekenis voor de (herstructurerings-)praktijk

Een bedrijf in financiële moeilijkheden zal in veel gevallen gebaat zijn bij een nieuw krediet, al was het maar om haar reguliere bedrijfsvoering en daarmee haar cashflow in stand te houden. Een kredietverstrekker zal in de regel zekerheid verlangen wanneer hij krediet verstrekt. Deze uitspraak van de Hoge Raad voorkomt in grote mate dat een dergelijke overeenkomst met een (nieuwe) kredietverstrekker, die wordt aangegaan binnen een jaar voor faillissement, wordt vernietigd op grond van de actio pauliana. Dit biedt naar ons idee meer ruimte voor kredietverstrekkers om bedrijven in moeilijkheden van nieuw krediet te voorzien.

For more information contact

< Go back

Print Friendly and PDF
Subscribe to e-briefings