Global menu

Our global pages

Close

Herziening Mededingingsregels voor de distributiesector

  • Netherlands
  • Corporate

22-04-2010

 De Europese Commissie heeft een verordening vastgesteld waarin een herziene groepsvrijstellingsverordening en richtsnoeren voor leverings- en distributieovereenkomsten (verticale afspraken) zijn opgenomen. Deze nieuwe regels worden op 1 juni 2010 van kracht. De voorgestelde aanpassingen zijn bedoeld om in te spelen op recente marktontwikkelingen, vooral de versterkte koopkracht van de grote detailhandelaars en de groei van de online-verkoop.

Achtergrond

Verticale overeenkomsten zien met name op overeenkomsten tussen leveranciers en afnemers die handelen in goederen of diensten, zoals distributieovereenkomsten. Verticale overeenkomsten kunnen mededingingsbeperkende afspraken bevatten die in beginsel dienen te worden getoetst aan het kartelverbod van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (oud artikel 81 EG Verdrag) of artikel 6 Mededingingswet (Mw). De groepsvrijstellingsverordening voor verticale afspraken (Groepsvrijstellingsverordening) stelt de voorwaarden waaronder verticale overeenkomsten zijn vrijgesteld van het kartelverbod en bevat een zwarte lijst met afspraken die per definitie verboden zijn. Daarnaast heeft de Europese Commissie richtsnoeren opgesteld waarin de beginselen voor de toetsing van verticale overeenkomsten aan artikel 101 VWEU uiteen worden gezet (Richtsnoeren).

Met de nieuwe verordening en richtsnoeren wil de Commissie onder andere de online-verkoop en internationale handel stimuleren omdat dit de keuzemogelijkheden van concurrenten vergroot.

Marktaandeel afnemer voortaan relevant

De huidige Groepsvrijstellingsverordening is van toepassing (onder meer) op voorwaarde dat het marktaandeel van de leverancier op de markt waarop hij de contractgoederen of diensten verkoopt niet meer bedraagt dan 30%. Slechts wanneer er sprake is van exclusieve levering, dient ook het marktaandeel van de afnemer (ingevolge artikel 3 lid 2 Groepsvrijstellingsverordening) beneden de 30% te blijven op de inkoopmarkt. De nieuwe verordening bepaalt echter dat het marktaandeel van elk van de partijen bij de overeenkomst op geen van de markten waarop de overeenkomst van invloed is meer dan 30% mag bedragen om binnen het bereik van de nieuwe Groepsvrijstellingsverordening te vallen. De nieuwe richtsnoeren bepalen daarnaast dat bij de beoordeling van het relevante marktaandeel van de afnemer niet diens positie op de inkoopmarkt, maar op de markt waar hij de producten (door)verkoopt bepalend is.

De producenten zullen dus nog steeds zelf kunnen beslissen hoe ze hun producten willen verdelen. Maar om in aanmerking te komen voor de groepsvrijstelling mag hun marktaandeel niet groter zijn dan 30% en mogen hun distributie- of leveringsovereenkomsten geen zogenaamde “hardcore-restricties†inhouden waarbij bijvoorbeeld de wederverkoopprijs wordt bepaald.

Deze marktaandeeldrempel van 30% voor de afnemer wordt ingevoerd voor de distributeur en detailhandelaren. Op deze manier wordt rekening gehouden met het feit dat sommige afnemers ook marktmacht hebben, waardoor de concurrentie mogelijk negatief wordt beïnvloed. Het is dus voordelig voor kmo’s – afnemers of producenten – die anders uitgesloten zouden worden van de distributiemarkt.

Ondernemingen met een hogere marktaandeeldrempel die overeenkomsten sluiten, moeten dus nagaan of de overeenkomsten beperkende clausules bevatten.

Wederverkoop bij selectieve distributie vergemakkelijkt

Op grond van de huidige Groepsvrijstellingsverordening kunnen dat leveranciers hun distributeurs verbieden om te verkopen aan niet-erkende distributeurs, ongeacht of de distributeurs werkzaam zijn in markten waar de leverancier een selectief distributiesysteem in stand houdt. De nieuwe verordening verandert dit in die zin dat het leden van een selectief distributiestelsel in de toekomst nog slechts verboden kan worden te verkopen aan niet-erkende distributeurs in markten voor zover daar reeds een selectief distributiestelsel werkzaam is. Kortom: ter voorkoming van doorverkoop aan niet erkende distributeurs kan leveranciers worden aangeraden om een EU-dekkend selectief distributiestelsel te hanteren.

Internetverkoop

In de richtsnoeren wordt ingegaan op verticale (hardekern)beperkingen die leveranciers wel en niet zonder meer aan (erkende) distributeurs mogen opleggen met betrekking tot de verkoop via internet. In beginsel geldt dat elke distributeur ongehinderd van internet gebruik moet kunnen maken om producten aan te prijzen of te verkopen. Een beperking kan alleen verenigbaar zijn met de Groepsvrijstellingsverordening voor zover de promotie of verkoop via internet tot actieve verkoop in de exclusieve gebieden of klantenkringen van andere distributeurs zou leiden. Het gebruik van internet wordt in het algemeen niet als een vorm van actieve verkoop in dergelijke gebieden beschouwd.

De volgende beperkingen worden volgens de ontwerp-richtsnoeren als hardekernbeperkingen beschouwd en zijn derhalve niet toegestaan: (i) de verplichting voor een distributeur om te verhinderen dat in een ander gebied gevestigde klanten zijn website bezoeken of om klanten op zijn website automatisch door te sturen naar de websites van de producten of van andere distributeurs, (ii) de verplichting voor een distributeur om transacties van klanten via internet af te breken zodra uit de creditcardgegevens blijkt dat hun adres niet binnen het gebied van de distributeur valt, (iii) de verplichting voor een distributeur om het aandeel van de internetverkoop in de totale verkoop te beperken en (iv) de verplichting voor een distributeur om voor producten die online worden doorverkocht een hogere prijs te betalen dan voor producten die offline worden verkocht. Wel mag een leverancier kwaliteitsnormen opleggen voor het gebruik van een internetsite voor het doorverkopen van zijn goederen.

Het doel van deze regels is om de distributeurs te stimuleren om online-verkopen te stimuleren en om deze zo te ontwikkelen dat ze klanten over de gehele EU kunnen bereiken.

Verticale prijsbinding

Het beleid ten aanzien van verticale prijsbinding wijzigt vooralsnog niet. Dit type verticale beperking wordt aangemerkt als hardekernbepaling in de zin van artikel 4 van de Groepsvrijstellingsverordening. Niettemin stelt de Commissie ook vast dat verticale prijsbinding onder omstandigheden tot efficiëntieverbeteringen kan leiden. Zo kan verticale prijsbinding nuttig zijn bij de introductie van een nieuw product, het kan wederverkopers aanzetten tot het doen van promotie-inspanningen en daarnaast kan het tegengaan dat het product als lokmiddel wordt gebruikt. Ook verticale prijsbinding in het kader van kortlopende gecoördineerde prijsverlagingacties wordt door de Commissie positief gewaardeerd.

Conclusie

De Groepsvrijstellingsverordening en de Richtsnoeren zijn op een aantal punten wezenlijk gewijzigd. De belangrijkste wijziging ziet op het marktaandeel van de afnemer dat voortaan ook relevant is bij de beoordeling van de vraag of de Groepsvrijstellingsverordening van toepassing is. Deze wijziging stelt ondernemingen voor extra risico’s en moeite bij de beoordeling van hun verticale overeenkomsten. Daarnaast zal er eerder sprake zijn van een overeenkomst die niet binnen de reikwijdte van de Groepsvrijstellingsverordening. Dit betekent dat ondernemingen moeten nagaan of hun overeenkomsten beperkende clausules bevatten en of deze gerechtvaardigd zijn. De nieuwe regels worden van kracht per 1 juli 2010 en zullen gelden tot 2022 met een overgangsfase van één jaar.

De voorgenomen wijzigingen zijn relevant voor alle ondernemingen die te maken hebben met (met name) distributieovereenkomsten. Per overeenkomst zal een toets dienen te worden gemaakt ten aanzien van de eventuele mededingingsbeperkingen die daarin zijn afgesproken en de vraag of die (op grond van de gewijzigde Groepsvrijstellingsverordening en Richtsnoeren) toelaatbaar zijn. Bij het maken van deze beoordeling zijn wij u natuurlijk graag van dienst.

For more information contact

< Go back

Print Friendly and PDF
Subscribe to e-briefings