Global menu

Our global pages

Close

Teveel voorwaarden voor winstuitkering in de zorg?

  • Netherlands
  • Health and life sciences

04-12-2014

De Tweede Kamer heeft op 1 juli 2014 een wetsvoorstel aangenomen waarin de mogelijkheid wordt geïntroduceerd om winst uit te keren in de zorg. Op dit moment is het wetsvoorstel in behandeling bij de Eerste Kamer. Onder voorbehoud van tijdige afronding van de schriftelijke behandeling is de plenaire behandeling van het voorstel door de Eerste Kamer voorzien voor 8 en/of 9 december 2014.

Het wetsvoorstel zoals dat op 1 juli 2014 door de Tweede Kamer is aangenomen voorziet in een zogenaamde “gereguleerde winstuitkering”. De voorwaarden die gelden voor winstuitkering zijn (i) dat er geen winst mag worden uitgekeerd gedurende de eerste drie jaar na het moment van investeren, (2) dat er pas winst mag worden uitgekeerd na een positieve beoordeling van vooraf gestelde kwaliteitseisen door een onafhankelijke toezichthouder en (3) dat er pas winst mag worden uitgekeerd na een positieve beoordeling van de financiële reserves.

Wat betreft het laatste criterium geldt onder meer dat de solvabiliteitsmarge van de zorgaanbieder ten minste 20% moet zijn na uitkering van de winst. Saillant detail is dat uit onderzoek is gebleken dat in 2012 slechts 16 van de 77 onderzochte algemene ziekenhuizen een solvabiliteitsniveau van 20% of meer had. In datzelfde onderzoek werd bovendien de vraag gesteld of de algemene ziekenhuizen na het wegvallen van de transitieregeling in 2014 nog wel in staat zouden zijn om hun solvabiliteitsratio op niveau te houden, laat staan te verbeteren. Daarbij komt de vraag of bestuurders van zorgaanbieders die wel aan de solvabiliteitsratio van 20% voldoen überhaupt zitten te wachten op investeerders. Het Sint Jansdal in Harderwijk is een dergelijk financieel gezond ziekenhuis, maar haar bestuursvoorzitter Albert Arp liet zich in het FD van 26 november 2014 uitermate kritisch uit over externe investeerders bij ziekenhuizen: ‘De gedachte dat externe investeerders ziekenhuizen sterker maken vind ik zwak. Dan geloof je niet eens in je eigen organisatie.’

Daarnaast is het ook nog maar de vraag of de eerste twee criteria niet op voorhand veel enthousiasme zullen wegnemen bij externe investeerders omdat een eventueel rendement lang op zich zal laten wachten (criterium 1) en daarnaast überhaupt onzeker is (criterium 2). In die zin is het maar zeer de vraag of het beoogde doel (het scheppen van mogelijkheden om privaat geld aan te trekken) met het formuleren van de genoemde randvoorwaarden wel zal worden behaald. Vanuit de Eerste Kamer zijn vergelijkbare vragen opgeworpen. In de Memorie van Antwoord van 27 oktober 2014 (en in min of meer dezelfde bewoordingen in de Nadere Memorie van Antwoord van 21 november 2014) relativeert de regering bovengenoemde bezwaren: “De in de wet opgenomen voorwaarden zijn niet dusdanig van aard dat investeerders hun interesse zullen verliezen om zich meerjarig te committeren aan de zorgsector.” Volgens de regering zou uit onderzoek namelijk blijken dat voor potentiële investeerders “perspectief op waardevermeerdering over een langere periode en op voldoende rendement bij de exit (…) een belangrijke rol [speelt].” Het onderzoek waar de regering zich op baseert dateert echter uit 2010 en het is dan ook maar de vraag of deze bevindingen nog courant zijn.

Naast de vraag of er voldoende investeerders kunnen worden gevonden, komt er voor bestuurders en toezichthouders een veranderde dynamiek zodra er daadwerkelijk “van buiten” wordt geïnvesteerd. Zorgbestuurders zijn daarover publiekelijk nog weinig aan het woord gekomen maar het onderwerp zal in de bestuurskamers zeker aan de orde zijn geweest. Vanzelfsprekend moet men zich de vraag stellen wat er gebeurt indien een private partij instapt: wat betekent dat voor de huidige taken en bevoegdheden, de rapportageverplichting, de zelfstandigheid van handelen et cetera. Identieke vragen zijn ongetwijfeld binnen de huidige Raden van Toezicht aan de orde geweest. Het zijn mede deze vragen die wellicht zullen zorgen voor terughoudendheid bij zorginstellingen die overwegen om met externe investeerders in zee te gaan.

Het moge duidelijk zijn, wij volgen met belangstelling de verdere behandeling van het wetsvoorstel.

In een volgend blog zullen wij vanuit het perspectief van verschillende typen private investeerders ingaan op de voor- en nadelen van specialisten in loondienst versus vrij gevestigde specialisten.