Global menu

Our global pages

Close

Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht

  • Netherlands
  • Corporate

16-01-2013

1. Inleiding

Op 31 mei 2011 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over het bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen aangenomen. De wet is op 1 januari 2013 in werking getreden. In deze nieuwsbrief volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen waarin de wet voorziet.

2. Wetswijzigingen

2.1 One-tier board

De wet geeft - als alternatief voor het dualistisch bestuursmodel met een bestuur en een raad van commissarissen - wettelijke bepalingen voor het monistisch bestuursmodel (“one tier board”), een bestuur waarin uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders zitting nemen. Het monistisch bestuursmodel zal beschikbaar zijn voor naamloze vennootschappen (“NV”), besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (“BV”) alsmede voor vennootschappen welke zijn onderworpen aan het structuurregime.

Indien een keuze wordt gemaakt voor het monistische bestuursmodel zal dit in de statuten vastgelegd dienen te worden. De taken van de bestuurders kunnen vervolgens bij of krachtens de statuten aan hen worden toegekend. De vrijheid van toekenning van deze taken is door de wetgever op bepaalde punten begrensd:

(a) de taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door bestuurders kan niet door een taakverdeling aan niet-uitvoerende bestuurders worden ontnomen;

(b) het voorzitterschap van het bestuur kan niet aan een uitvoerend bestuurder worden toegekend;

(c) het doen van voordrachten voor benoeming van een bestuurder kan niet aan een uitvoerend bestuurder worden toegekend;

(d) het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders kan niet aan een uitvoerend bestuurder worden toegekend, en

(e) de uitvoerende bestuurder mag niet deelnemen aan de besluitvorming over het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders.

Onverminderd een verdeling van taken blijft iedere bestuurder verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken en is iedere bestuurder voor het geheel aansprakelijk voor onbehoorlijk bestuur van een of meer medebestuurders. Een individuele bestuurder kan een beroep doen op een verschoningsgrond indien hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

Mede met het oog op een mogelijke aansprakelijkheid is het derhalve voor een niet-uitvoerend bestuurder in een monistisch bestuursmodel van belang dat de verdeling van taken nauwkeurig is vastgelegd.

De algemene vergadering van aandeelhouders bepaalt of een bestuurder wordt benoemd tot uitvoerend bestuurder onderscheidenlijk niet-uitvoerend bestuurder. Slechts natuurlijke personen kunnen de functie van niet-uitvoerende bestuurder bekleden.

2.2 Beperking nevenfuncties

De wet geeft een limitering voor het aantal functies dat een bestuurder of een commissaris van een ‘grote rechtspersoon’ mag bekleden. Onder ‘grote rechtspersoon’ wordt bedoeld een NV of BV of stichting die voldoet aan twee van de drie vereisten uit het jaarrekeningrecht, namelijk

  • de waarde van de activa volgens de balans met toelichting bedraagt meer dan EUR 17.500.000;
  • de netto-omzet voor het laatste boekjaar bedraagt meer dan EUR 35.000.000;
  • het gemiddeld aantal werknemers bedraagt 250 of meer.

Daarbij is van belang dat de regeling “slechts” geldt voor stichtingen die een wettelijke verplichting hebben om een jaarrekening op te stellen; de regeling geldt niet voor grote “not for profit” stichtingen.

Bij het beantwoorden van de vraag of de NV, BV of stichting voldoet aan de eisen, moet worden gekeken naar de geconsolideerde balans (indien die er is). Voorts is van belang dat de wet voorschrijft dat een ‘grote rechtspersoon’ op 2 opeenvolgende balansdata moet kwalificeren als ‘grote rechtspersoon’, wil de regeling van toepassing worden. Het omgekeerde geldt ook, namelijk dat een ‘grote rechspersoon’ die 2 opeenvolgende balansdata niet meer aan de voorwaarden voldoet, niet meer kwalificeert als ‘grote rechtspersoon’.

Gevolgen voor het zijn van ‘grote rechtspersoon’

Er geldt een wettelijke beperking voor het aantal toezichthoudende functies of bestuursfuncties (commissaris, uitvoerend- en niet-uitvoerend bestuurder) dat één persoon kan uitoefenen bij rechtspersonen die kwalificeren als ‘grote rechtspersoon’. In hoofdlijnen komt die beperking op het volgende neer:

(a) een natuurlijk persoon kan niet benoemd worden tot bestuurder indien hij of zij reeds bij twee of meer andere grote rechtspersonen de functie van commissaris of niet uitvoerend bestuurder bekleedt en hij of zij géén voorzitter is van de raad van commissarissen of voorzitter is van het bestuur in een monistisch bestuursmodel;

(b) een natuurlijk persoon kan niet benoemd worden tot commissaris indien hij of zij reeds bij vijf of meer ‘grote rechtspersonen’ de functie van commissaris of niet uitvoerend bestuurder bekleedt, met dien verstande dat het voorzitterschap van de raad van commissarissen en het voorzitterschap in een monistisch bestuursmodel dubbel telt.

Er is een aantal uitzonderingen op het bovenstaande. Zo geldt de beperking niet voor door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders. Ook tellen bestuurslidmaatschappen/commissariaten bij meerdere rechtspersonen die deel uitmaken van een groep slechts voor één.

Een benoeming die in strijd is met de beperkingsregeling is nietig.

2.3 Evenwichtige verdeling man/vrouw

De wet bepaalt dat ‘grote rechtspersonen’ dienen te streven naar een evenwichtige verdeling van de zetels van het bestuur en de raad van commissarissen tussen mannen en vrouwen. Van een evenwichtige verdeling is volgens de wet sprake indien ten minste 30% van de zetels wordt bezet door vrouwen en ten minste 30% door mannen.

Met een evenwichtige verdeling dient rekening te worden gehouden bij (i) het benoemen en voordragen van bestuurders, (ii) het opstellen van een profielschets voor de omvang en samenstelling van de raad van commissarissen alsmede het aanwijzen, benoemen, aanbevelen en voordragen van commissarissen en (iii) het opstellen van een profielschets voor de niet-uitvoerende bestuurders alsmede bij het voordragen, benoemen en aanbevelen van niet-uitvoerende bestuurders.

Indien de samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen niet evenwichtig is in de zin van de wet dient in het jaarverslag te worden vermeld waarom niet is voldaan aan de wettelijke voorschriften tot een evenwichtige samenstelling en welke actie zal worden ondernomen om wel tot een evenwichtige samenstelling te komen.

2.4 Tegenstrijdig belang

Met de invoering van de wet is er ook een nieuwe regeling op het gebied van tegenstrijdig belang van leden van het bestuur of de raad van commissarissen van een NV of BV van toepassing geworden. Waar voorheen een tegenstrijdig belang invloed had op de vertegenwoordigingsbevoegdheid (extern) van de rechtspersoon, geldt de tegenstrijdig belang regeling nu “slechts” voor de besluitvorming (intern).

Een bestuurder of commissaris die een direct of indirect tegenstrijdig belang heeft met de vennootschap dient zich afzijdig te houden van de beraadslaging en besluitvorming omtrent de voorgenomen rechtshandeling. In het geval dat alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben beslist de raad van commissarissen en bij het ontbreken daarvan de algemene vergadering van aandeelhouders (tenzij de statuten anders bepalen). In het geval dat alle commissarissen een tegenstrijdig belang hebben beslist de algemene vergadering van aandeelhouders (tenzij de statuten anders bepalen).

2.5 Rechtspositie bestuurder van beursvennootschap

De rechtsverhouding tussen de bestuurder van een beursvennootschap en de beursvennootschap zal volgens de wet niet langer worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Gevolg hiervan is dat de bestuurder niet meer de bescherming zal hebben van het arbeidsrecht.

3. Slot

De wet heeft directe werking en stelt op bepaalde onderdelen (evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen, tegenstrijdig belang) bepaalde thans bestaande statutaire bepalingen terzijde. Naast de per 1 oktober 2012 ingevoerde “Flex BV” bepalingen, is er in korte tijd een aanzienlijke wetswijziging doorgevoerd in het Nederlandse rechtspersonenrecht. Het is dan ook verstandig om, in het licht van deze wijzigingen, bestaande statuten en concernstructuren te herzien, om te zien of de bestaande regelingen nog voldoen. Wij zijn gaarne bereid om in meer detail te adviseren over eventuele wijzigingen en om te helpen bij het implementeren daarvan.