Global menu

Our global pages

Close

Mededingingsrecht

Het mededingingsrecht beoogt concurrentie te bevorderen en consumenten te beschermen. Op deze manier kunnen consumenten profiteren van lagere prijzen, een bredere keuze en verbeterde goederen of diensten. Er zijn op dit moment meer dan 130 rechtssystemen in de wereld op het gebied van mededinging.

Mededingingswetten worden door zowel overheidsinstanties als particulieren gehandhaafd. Op niveau van de Europese Unie (EU) wordt de publieke handhaving ter hand genomen door de Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten van de lidstaten. In Nederland wordt het toezicht uitgeoefend door de Autoriteit Consument & Markt (ACM).

Op Europees niveau bestaat het mededingingsrecht hoofdzakelijk uit twee verdragsbepalingen: artikel 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Het nationale mededingingsrecht van EU-lidstaten is in meer of mindere mate gebaseerd op artikel 101 en 102 VWEU. In Nederland zijn deze artikelen terug te vinden in artikel 6 en 24 van de Mededingingswet. Een derde onderdeel van het Europese mededingingsrecht (als ook de nationale rechtssystemen) is het concentratietoezicht.

Het kartelverbod zoals opgenomen in artikel 101 VWEU (en het equivalent in de Nederlandse Mededingingswet) verbiedt overeenkomsten en andere vormen van samenwerking die de concurrentiedruk doen afnemen die ondernemingen normaal gesproken ondervinden in de markt.

Onder het kartelverbod is bijvoorbeeld een overeenkomst tussen verschillende suikerleveranciers verboden die afspreken om hun suiker in de toekomst tegen een bepaalde prijs te verkopen. Een dergelijke overeenkomst zou de onzekerheid van de suikerleverancier over de prijzen van zijn concurrenten wegnemen en het daarnaast moeilijker maken voor nieuwe leveranciers om toe te treden tot de suikermarkt. Artikel 101 VWEU verbiedt niet alleen bepaalde overeenkomsten tussen concurrenten (horizontale overeenkomsten), maar ook tussen niet-concurrenten (verticale overeenkomsten). Een mededingingsbeperking die door een leverancier aan een distributeur wordt opgelegd, bijvoorbeeld om de producten van de leverancier tegen een minimumprijs te verkopen, is in principe niet toegestaan. Artikel 6 van de Mededingingswet is de equivalente bepaling van artikel 101 VWEU.

Artikel 102 VWEU verbiedt ondernemingen met een machtspositie misbruik te maken van een dergelijke positie. Een onderneming heeft een machtspositie als het in staat is om onafhankelijk van haar concurrenten en klanten te opereren. Over het algemeen is hiervan sprake bij een marktaandeel van meer dan 40%. Een onderneming met een machtspositie is bijvoorbeeld een onderneming die het zich kan veroorloven om kortingen aan klanten te geven die hoger zijn dan de kortingen van haar concurrenten. Het is niet verboden om een machtspositie in te nemen; misbruik maken van een dergelijke positie is dat echter wel. Misbruik van een machtspositie kan vele vormen aannemen. Een type misbruik dat verboden is onder artikel 102 VWEU is bijvoorbeeld de eis die een onderneming met een machtspositie aan haar klanten stelt om bij de aankoop van een bepaald product ook een ander product af te nemen (deze praktijk staat bekend als koppelverkoop). De equivalente bepaling hiervan in het Nederlands recht is artikel 24 van de Mededingingswet.

Concentratietoezicht heeft betrekking op de mogelijkheid dat een fusie of overname de marktomstandigheden nadelig beïnvloedt omdat de concurrentie op de markten daardoor afneemt. Het Europese concentratietoezicht schrijft voor dat als de omzet van de ondernemingen die betrokken zijn bij een “concentratie” (wijziging in zeggenschap) boven de EU-drempel komt, de goedkeuring van de Europese Commissie vereist is voordat de transactie voltooid kan worden. De Europese Commissie is de enige die de bevoegdheid heeft om dergelijke fusies te beoordelen; dit is het zogenaamde “one-stop-shop” beginsel van het concentratietoezicht in de EU. Als een concentratie de EU-omzetdrempels niet haalt, kunnen de mededingingsautoriteiten van de betreffende lidstaten de fusie beoordelen, vooropgesteld dat de nationale omzetdrempels worden gehaald. In Nederland is de ACM de autoriteit die belast is met dit toezicht. Het Nederlandse concentratietoezicht is opgenomen in Hoofdstuk 5 van de Mededingingswet.

Private handhaving van het mededingingsrecht kan worden afgedwongen door procedures aanhangig te maken bij een nationale rechtbank. Zowel artikel 101 en 102 als de equivalente bepalingen in het Nederlands recht scheppen rechten voor private partijen, waar dientengevolge direct een beroep op kan worden gedaan voor de Nederlandse rechter.

Eversheds Sutherland biedt juridische diensten aan die het gehele spectrum van het mededingingsrecht beslaan. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Michel Chatelin.

 

Aanbestedingsrecht

Het aanbestedingsrecht reguleert de inkoopprocedure van aanbestedende diensten met betrekking tot het verstrekken van overheidsopdrachten voor werken, diensten en leveringen. Een onderscheid kan worden gemaakt tussen Europese en nationale aanbestedingen.

Europese aanbestedingen betreffen overheidsopdrachten met een geraamde waarde boven de relevante drempelwaarde. De drempelwaarden voor de klassieke sectoren en concessies bedragen vanaf 1 januari 2016:

  • Overheidsopdracht voor werken en concessies: EUR 5.225.000.
  • Overheidsopdracht voor diensten: EUR 135.000 (centrale overheid) / 209.000 (decentrale overheid).
  • Overheidsopdracht voor leveringen: EUR 135.000 (centrale overheid) / 209.000 (decentrale overheid).

Het Europeesrechtelijke kader wordt vormgegeven door de richtlijnen 2014/24/EU (klassieke sectoren), 2014/25/EU (speciale sectoren) en 2014/23/EU (concessies). De richtlijnen zijn zodanig vormgegeven dat deze invulling geven aan de Europese aanbestedingsbeginselen van non-discriminatie, gelijkheid, transparantie en proportionaliteit.

De Europese richtlijnen zijn in Nederlandse rechtsorde omgezet in de Aanbestedingswet. Naast de Aanbestedingswet wordt het nationale rechtskader gevormd door het Aanbestedingsbesluit en het zgn. flankerend beleid (Gids Proportionaliteit en ARW 2012). In aanvulling op het Europees recht bepaalt de Aanbestedingswet dat ook bij nationale aanbestedingen (bijv. opdrachtverstrekking onder de drempelwaarden) de beginselen van gelijkheid, transparantie en proportionaliteit in acht moeten worden genomen.

Onze dienstverlening ziet onder andere op de volgende onderwerpen:

  1. Het procederen in aanbestedingsgeschillen, zowel voor aanbestedende diensten als inschrijvers.
  2. Het beoordelen van aanbestedingsdocumentatie en leveren van juridische begeleiding gedurende het aanbestedingsproces.
  3. Het beoordelen of een aanbestedingsplicht geldt ten aanzien van een voorgenomen opdrachtverstrekking.
  4. Het beoordelen van de toepasbaarheid van uitzonderingen op de aanbestedingsplicht, zoals inbesteding of uitsluitend recht.
  5. Het structuren en begeleiden van samenwerkingsverbanden, zowel publieke als publiek-private.

 

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Michel Chatelin.


Michel Chatelin