Global menu

Our global pages

Close

Uitspraken/jurisprudentie M&A

Gerechtshof Amsterdam, 27 februari 2014
Zaaknummer 200.138.560/01 OK

WOR-procedure: Ondernemer heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kunnen komen tot het bestreden besluit om in het desbetreffende ziekenhuis te participeren. De Ondernemingskamer onderschrijft het standpunt van de ondernemingsraad dat de ondernemer onvoldoende heeft zorggedragen voor de daadwerkelijke vervulling van op papier overeengekomen, ‘risicomatigende’ voorwaarden. De Ondernemingskamer verplicht de ondernemer om het besluit in te trekken en alle gevolgen daarvan ongedaan te maken, en verbiedt handelingen te (doen) verrichten ter (verdere) uitvoering van het bestreden besluit of onderdelen daarvan.

De ondernemingsraad die bij de ondernemer is ingesteld heeft de Ondernemingskamer verzocht om te verklaren dat de ondernemer bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om in een ziekenhuis te participeren, de ondernemer op te leggen dit besluit in te trekken en alle gevolgen daarvan ongedaan te maken, alsmede om de ondernemer te verbieden om handelingen te verrichten ter verdere uitvoering van het besluit.

De Ondernemingskamer stelt voorop dat het besluit van de ondernemer om in een andere zorgonderneming te participeren, in beginsel een aangelegenheid van de ondernemer is.

De ondernemer moet echter de belangen van de onderneming en haar stakeholders, onder wie de werknemers, in zijn besluitvorming betrekken en een afweging maken van de beweegredenen en de te verwachten gevolgen van een voorgenomen participatie.

Dit brengt met zich mee dat niet alleen de voorwaarden waaronder de ondernemer zal participeren in ogenschouw dienen te worden genomen, maar ook de (overige) omstandigheden waaronder de investering/participatie wordt geëffectueerd.

De Ondernemingskamer oordeelt dat de ondernemer op zich kon besluiten dat de redelijkerwijs voorzienbare risico’s voor de ondernemer niet zo groot waren dat de ondernemer van participatie zouden moeten afzien. Echter, de Ondernemingskamer onderschrijft het standpunt van de ondernemingsraad dat de ondernemer onvoldoende heeft zorggedragen voor de daadwerkelijke vervulling van op papier overeengekomen, ‘risicomatigende’ voorwaarden. Toen de ondernemer definitief tot participatie besloot, waren diverse van die voorwaarden niet vervuld en (kennelijk) ook welbewust onvervuld gelaten.

Daarbij wordt meegenomen dat enige afspraken nog niet op schrift zijn gesteld. De ondernemer stelt dat wel degelijk sprake is van (mondelinge) toezeggingen. De Ondernemingskamer acht de handelswijze van de ondernemer te dezen onverantwoord; in het licht van de gesignaleerde risico’s kan niet worden aanvaard dat wordt voorbij gegaan aan de vervulling van bepaalde opschortende voorwaarden van de transactie.

De ondernemer heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kunnen komen tot het bestreden besluit om in het desbetreffende ziekenhuis te participeren. De Ondernemingskamer verplicht de ondernemer om het besluit in te trekken en alle gevolgen daarvan ongedaan te maken, en verbiedt handelingen te (doen) verrichten ter (verdere) uitvoering van het bestreden besluit of onderdelen daarvan.

 


 

Hoge Raad, 7 februari 2014
Zaaknummer 13/00707 Case number 13/00707

Bedrijfsovername – Uitleg overnameovereenkomst naar de Haviltex-maatstaf. Uit dit arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de zogenaamde Haviltex-maatstaf nog altijd een grote rol speelt bij de uitleg van overeenkomsten. Dat houdt in dat, ook waar een beding verstrekkende gevolgen heeft of waar het een overeenkomst betreft tussen twee professionele partijen die zich hebben laten bijstaan door juridische adviseurs, de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan een taalkundige betekenis aan de contractsbepalingen moet worden gehecht.

In een koopovereenkomst van aandelen geeft verkoper een aantal garanties af aan koper. In verband met de garanties bepaalt de overeenkomst dat koper eventuele inbreuken daarop “zo spoedig mogelijk” aan verkoper moet melden. Wanneer koper anderhalf jaar later een groot aantal inbreuken op de garanties meldt en schadevergoeding eist, stelt verkoper dat koper daar te laat mee is.

Het hof oordeelt dat de tekst van het betreffende artikel niet voor enig misverstand vatbaar is, en oordeelt dat de rechten van koper vervallen bij niet spoedige in kennisstelling van de inbreuken.  Immers, uit de bewoordingen “zo spoedig mogelijk” vloeit een grotere urgentie voort dan uit de zinsnede “binnen bekwame tijd” van artikel 7:23 lid 1 BW.
Een redelijke uitleg van het artikel brengt naar het oordeel van het hof mee dat koper daadwerkelijk kennis moet dragen van de inbreuk. Daartoe is noodzakelijk maar ook voldoende dat koper met een redelijke mate van zekerheid, die geen absolute zekerheid hoeft te zijn, tot de conclusie kan komen dat en waarom sprake is van een inbreuk op een garantie.

Koper stelt een cassatieberoep in en stelt dat beslissende betekenis moet toekomen aan de bewoordingen van de overeenkomst en dat alleen de verstrekkende sanctie van verval van recht aan niet zo spoedig mogelijk inlichten van verkoper worden gekoppeld, indien die sanctie expliciet in de overeenkomst is vermeld.

De Hoge Raad gaat hierin niet mee. Bij de uitleg van overeenkomsten geldt dat, ook indien groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval steeds kunnen meebrengen dat een andere betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft dus de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dat is niet anders waar een beding verstrekkende gevolgen heeft, of waar het een overeenkomst betreft tussen professionele partijen die zich hebben laten bijstaan door externe, ter zake kundige juridische adviseurs.

Een verstrekkend (verval)beding kan dus ook gelden als het niet in letterlijke bewoordingen is opgenomen in de overeenkomst.

De Hoge Raad gaat echter wel mee in de motiveringsklacht; zonder nadere motivering van het hof valt niet in te zien waarom de tekst van het artikel eerder tot verval van recht zou nopen dan tot een ander gevolg (zoals een verplichting tot vergoeding van schade). Daarnaast is relevant in hoeverre de verkoper nadeel heeft ondervonden van de late melding.


Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak: 3 september 2013
Zaaknummer 200.094.764

Bedrijfsovername – schending van uit earn out-regeling voortvloeiende inspanningsverplichtingen leidt tot schadeplichtigheid van de koper.

In de koopovereenkomst is een earn out-regeling opgenomen op grond waarvan verkoper een earn out ontvangt, gebaseerd op een bepaald winstniveau over het boekjaar 2005. Koper lijdt echter verlies waardoor verkoper geen earn out ontvangt. Verkoper gaat een jaar later failliet.

Hoewel in de earn out-regeling niet uitdrukkelijk is bepaald dat koper zich moet inspannen om zoveel mogelijk winst te behalen, neemt het Hof deze inspanningsverplichting aan. Het Hof benadrukt daarbij dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet alleen kan worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg van de overeenkomst. Het komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Verkoper mocht op grond van de omstandigheden verwachten dat koper zich zou inspannen om de overgenomen activiteiten zo optimaal mogelijk te continueren. Daarbij acht het Hof van doorslaggevend belang dat koper tijdens de overnamebesprekingen met de klanten van verkoper heeft gesproken over de inhoud van de contracten en de projecten, dat koper personeel van verkoper overnam om de lopende projecten te continueren, dat beide partijen ervan uitgingen dat uit die lopende contracten/projecten over het boekjaar 2005 een aanzienlijke omzet gemaakt zou worden en dat zij de (verhoudingsgewijs lage) koopsom deels hebben gerelateerd aan de over 2005 met de van verkoper overgenomen activa, contracten en werknemers te behalen winst.

Het Hof komt tot de conclusie dat koper de inspanningsverplichtingen uit de earn out-regeling heeft geschonden en de overgenomen projecten, contracten en klanten zodanig heeft verwaarloosd en gefrustreerd dat er geen winst is gerealiseerd, terwijl die winst bij een correcte uitvoering wel behaald had kunnen worden.

Het Hof bepaalt dat de curator van de verkoper recht heeft op schadevergoeding.


Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak: 10 juli 2013
Datum publicatie: 1 oktober 2013
Zaaknummer: C/13/518487 / HA ZA 12-676

Verkoop dochtervennootschap – Verkoop zonder statutaire goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders levert geen ernstige verwijtbaarheid op in de zin van artikel 2:9 BW. Daarnaast kan eiser in zijn hoedanigheid van aandeelhouder ook geen beroep doen op schending van de statutaire goedkeuring. De redelijkheid en billijkheid verzet zich daartegen.

Een van de twee bestuurders van een vennootschap is overgegaan tot de verkoop van alle aandelen die de vennootschap hield een dochtervennootschap. Een dergelijke verkoop behoeft op basis van de statuten van de verkopende vennootschap de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van de verkoper. De verkoop heeft plaatsgevonden zonder deze voorafgaande goedkeuring.

De andere bestuurder (eiser) vordert namens de vennootschap schade op basis van art. 2:9 BW. In beginsel levert het in strijd handelen met de statuten een ernstig verwijt op. Bij de beoordeling of sprake is van ernstige verwijtbaarheid dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een ernstig verwijt op basis van de volgende omstandigheden: (i) het gehele concern werd uiteindelijk bestuurd door twee personen; eiser en gedaagde gezamenlijk, (ii) de eiser nauwelijks belangstelling toonde in de verkochte deelneming, (iii) reeds eerder werd ingestemd met de verkoop van een andere dochtervennootschap, (iv) niet is gebleken dat de handelend bestuurder eiser bewust buiten de bestreden verkoop heeft gehouden en (v) de aandelen zijn verkocht tegen nominale waarde.

De vraag is vervolgens beantwoord of er sprake zou kunnen zijn van een onrechtmatig handelen jegens de eiser in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Weliswaar strekt de statutaire goedkeuringsbepaling tot bescherming van de aandeelhouders. Echter is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat eiser in zijn hoedanigheid van aandeelhouder in de gegeven omstandigheid met succes een beroep zou kunnen doen op de schending van een statutaire bepaling. Ook op basis van onrechtmatige daad kan niet tot schadeplicht worden geconcludeerd.

De redenatie van de rechtbank is niet nieuw, maar een bevestiging van de bestaande lijn.

 


 

Hof Amsterdam, 6 november 2012
JOR 2013/265
LJN: BY8291

Bedrijfsovername – Geen toerekening van kennis van het managementteam van de targetvennootschap aan de koper in het kader van garanties onder de koopovereenkomst. Achterhouden essentiële informatie over productievolume is opzet of grove schuld waardoor contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen niet van toepassing zijn.

In het kader van een aandelentransactie is in de koopovereenkomst de gebruikelijke garantie opgenomen dat de verkoper ervoor instaat dat de informatie die in het kader van de verkoop is verstrekt, juist, accuraat en niet misleidend is en dat geen essentiële informatie is achtergehouden. Enkele weken na de ondertekening van de koopovereenkomst bleek dat de productie van de target plotseling met meer dan de helft was teruggelopen. Deze terugval was bij de verkoper en bij het management van de targetvennootschap bekend, maar niet gemeld. Koper vordert schadevergoeding met een beroep op de garantie.

Volgens de koopovereenkomst is de koper gehouden om de verkoper binnen 45 dagen, nadat de koper en/of het management van de target bekend wordt met de inbreuk, te informeren van een inbreuk op de garanties. De koper heeft de verkoper 55 dagen na de datum van ondertekening van de koopovereenkomst geïnformeerd. Het verweer van de verkoper was dan ook dat de koper te laat heeft geklaagd.

Het ligt volgens het Hof niet voor de hand om de kennis die bij het management van de target aanwezig is, vanaf de datum van de overdracht aan de koper toe te rekenen. Het Hof is van oordeel dat met de tekst van de claim procedure niet anders kan worden bedoeld dan dat de toerekening is beperkt tot kennis die na de overdracht nog moest worden verkregen. Zodoende is de klachttermijn van 45 dagen pas gaan lopen op het moment dat de koper op de hoogte raakte van een inbreuk op de garanties.

Daarnaast is het Hof van oordeel dat er sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van de verkoper bij het achterhouden van dit soort belangrijke bedrijfsinformatie. Hierdoor zijn de contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen in de koopovereenkomst niet van toepassing.

Rob Faasen

Miriam Ee, van

Tom Wijngaarden, van